REIZIGERSLATIJN

Grijs moet het kenteken zijn.
Behalve als je er geen nodig hebt, zoals de ‘yup’-hippie die zelf een huifkar bouwde {tinker}, daarmee jonge vrouwen uit nieuwbouwwijken verleidde - altijd nieuwe wijken, altijd nieuwe vrouwen -, en vervolgens met kar, vrouw en paard {haflinger} stap voor stap Europa doorging.
Of de collega die zijn rijdende poppenkast voortbeweegt per trekker {lanz-buldog}, waardoor de provinciegrenzen zijn actieradius vormen. Voor de trekker geldt al wel de tweede algemene voorwaarde: het moet een diesel zijn. De prachtige, zo goed als nieuwe, brandweerwagens van de B.B. {bescherming bevolking}, die ineens bij honderden voor een spotprijsje te koop waren, vielen dus af. Benzine: ‘te schaailijk’.
Het economisch motief vervult echter slechts een bijrol. Nuchtere volwassen kerels - meer aardappeleters dan dichtbundellezers, zou Carmiggelt schrijven - kun je ontroerd horen praten over ‘donker en zwaar’, ‘een koffiemolen’ of ‘een langzame heldere slag’ als omschrijvingen voor het geluid van een dieselmotor. Zou dat te vergelijken zijn met de 23 soorten sneeuw in de eskimotaal?
Naast het auditieve aspect speelt ook de naam een belangrijke rol in het roeren van de reiziger. Een blitz {Opel} is beter dan een wasbord {Citroën HY}. Ook als je hem moet aanduwen. Als de tent er in zat waren daarvoor 4 personen nodig. Naast aanzienlijke potigheid was voor deze functie ook snelheid een basisvoorwaarde, want als hij aansloeg moest je snel opzij springen om niet overreden te worden door de woonwagen, die er standaard achter hing. Een vierkantige {Mercedes, vanaf 505} is mooi, maar haalt het niet bij een saviem {Renault, zie Parijs ‘68}. Bij mooi weer en matige snelheid lieten we de schuifdeur open. Hoewel dat tèchnisch niet kon, gingen wij op zo’n moment uit ons dak van ontroering.

Bij ieder type praten we natuurlijk over verhoogd-verlengd. Behalve als dat niet kan. De brandweerwagen van de bevriende clown is er alleen in die ene versie: met ruimte voor 5000 liter water, zodat de vering ook op de gladste snelweg het gevoel geeft dat je op patrouille bent naar de woestijn {el alamein}. Hij heeft hem van de hand moeten doen na de aankoop van een huisje in het, volgens hem centraalgelegen, volgens ons goedkope, stille noorden van Frankrijk {verdun}. De gedwongen verkoop van het geliefde vervoermiddel werd niet ingegeven door financiële problemen of door strubbelingen met de douane, maar enkel en alleen door het hellingspercentage van de Ardennensnelweg {onder Luik}. Wat heb je aan een huis als je er niet naar toe kunt?
Ook de imposante vrachtwagen {magyrus} van de kleine kranige poppenspeelster uit het hoge noorden was er maar in één uitvoering. Ten opzichte van haar gestalte leek de auto sowieso verlengd en verhoogd. Als ze de parkeerplaats afreed liet zij (of hij?) steevast een enorme roetwolk en een plas olie achter. Ze heeft de truck naar zijn laatste rustplaats begeleid toen ze voorstellingen ging maken over het milieu.

Bij ieder soort liefde geldt: de eerste vergeet je nooit. Met z’n vieren gekocht en ingericht voor een reis naar de Balkan {yoegoslavië - griekenland}. Grijs, oud en van ons {hanomag-henschel}. Op den duur noemden we hem zelfs - het enige kenteken dat ik nog steeds uit mijn hoofd ken - ‘de beejèfeenenvijftignulnegen’. Ik had nog geen rijbewijs, maar mocht al wel meebetalen. De binnenkant van het (uiteraard) verhoogde dak hadden we lichtblauw gespoten: altijd onze hemel bij ons. Met 4 mensen op pad gaan is prachtig want je bent nooit alléén.
Maar met z’n vieren reizen is verschrikkelijk want je bent nòòit alleen.

Onder ‘onze hemel’ heb ik prachtige dingen voor de eerste keer beleefd. Maar er waren ook dagenlange koude oorlogen onder ons smerig-hete blauwe baldakijn.
Toch was onze hemel, en de bus waar hij in zat, ons allen zeer dierbaar.
Hij was van ons en, bovenal, het was onze eerste.

Er zijn er nadien veel gevolgd {bussen én hemels} en met een verre nazaat van de eerste bus reed ik jaren later het terrein op van een klein circus in het Belgische binnenland. Een aangenaam-flanserig rood-geel familiebedoeninkje met in de pauze consumpties, vanuit een in de hoek van de tent geparkeerd busje. In de rij voor het barretje viel mij op dat deze ‘cantina-mobile’ naast geel en rood, door het vlieden der jaren ook hier en daar een bruine kleur begon te tonen. Toen ik aan de beurt was, moest de mevrouw van de horeca, die overigens even daarvoor met veel elan de pony’s ‘in vrijheid had voorgebracht’, even geld gaan wisselen. Terwijl ik rustig het cliché stond te herkauwen dat het circusleven toch wel een hard bestaan moest zijn, viel mij op dat de binnenkant van het dak van de cadi-wagen {cantinedienst} zo blauw afstak tegen het rood, geel en bruin van de buitenkant. Ineens ging er een schok door mij heen: mijn hemel! Plotseling waren daar weer de boerenkarren op het zanderige pleintje; mannen met witte vilten clownspetjes met een doek er rond; streekromanzigeuners die tenminste nog aan een beekje een kampvuur maakten; de nachten vol krekels; gebruinde vrouwen met kleurige harembroeken, een matineuze mediterrane kade met versgevangen vis.
‘Voelt U zich wel goed, meneer?’

Met mijn drankje liep ik, mijn opwinding nonchalant wegmoffelend, achter de bus langs en moest daar erkennen dat ik niet meer te redden was als zelfs een kenteken mij zou kunnen ontroeren.

In verschoten ‘wit op blauw’ stond op de geblutste bumper de pincode van mijn jeugdsentiment: BF-51-09.

 

Someren, 28 november 1998,
Toon Maas

Skip Navigation Links