MONUMENT VOOR DE ONBEKENDE CLOWN
Een herinnering kun je proeven.
Zo ligt het voor de hand dat iedere willekeurige vissoep tot in lengte van jaren de herinnering oproept aan het kleine restaurant in Saint Malo, waar de terrine zolang rondging tot je genoeg had. Met terugwerkende kracht vergeef ik de jonge jongen van toen - nooitopdenhardeweggewist - het misbruik (4 borden) van deze vorm van gastvrijheid.
Een herinnering kan natuurlijk ook gevat zijn in een voorwerp. In dit verband is Parijs een veertje. En wel het kleine bladveertje dat vastgeklonken zit aan het ringetje dat gestopt wordt in de oude houten vogel aan de even oude carrousel in de Jardin-de-Luxembourg. Na het, voor de zoveelste keer die dag, inklemmen van het veertje, zal weer een kind de koning te rijk zijn met deze negentiende-eeuwse vorm van ringsteken.
En natuurlijk kent iedereen de herinnering als beeld.
Bij het begrip 'jeugd' kan plots dat ene filmbeeld opdoemen van een misdienaar op de achterbank van een klein kogelrond Fiatje, bestuurd door een kleine kogelronde pastoor, gezamenlijk een bospad afrijdend - natuurlijk op een zonnige zondagochtend - om in de Rode Kruisbungalow een kerkdienst te gaan verzorgen.
Onlangs heb ik ontdekt dat een herinnering ook een menselijke gedaante kan aannemen.
Zeker als het om Dresden gaat.
Natuurlijk: Semperoper, Zwinger: indrukwekkend. Al was het alleen maar omdat ze stand gehouden hebben, ondanks alles.
De naargeestige woonblokken en de talrijke drinkende en bedelende jongeren (heel blank en heel Duits): nog indrukwekkender, omdat ze het, ondanks alles, alweer lijken te hebben opgegeven.
Er is geen tegenstelling tussen zwaarmoedigheid en optimisme, tussen verdriet en blijdschap. Dresden is verdrietig én blij. Blij dat er van de Hauptbahnhof tot aan de Frauenkirche met man en macht gewerkt wordt aan het nieuwe hart van de stad en verdrietig, of op zijn minst moedeloos, dat het daardoor al jaren zo'n onoverzichtelijke on-Duitse chaos is, dat niemand kan zeggen wanneer het ooit goed komt. Maar er is een klein mannetje met een lange jas en een kop uit een cartoon: hoedje-clownsneus-grote mond. Hij loopt de moderne tijd en het westen binnen op kolossale gymschoenen ('Nike-clownair'?). En je ziet het in één oogopslag: hij hééft het! Alles past in zijn prikkelend ondeugende uitstraling. Niet alleen de uitmonstering, maar ook de aanstekelijke motoriek en het schraperig stemgeluid.
Op het festivalletje achter het avant-garde Kulturhaus met schemerlampen, steigerpijp en roestige containers, ver van glamour en toeristenfolders - je zou er vrolijk van kunnen worden als het niet zo treurig was, of andersom -, maakt hij, avond en motregen, doodgemoedereerd ‘parade’, om het publiek in zijn tentje te krijgen. Nielullemarspeule!
En tijdens de rommelige voorstelling in het groezelig tentje neemt hij zijn publiek mee in zijn chaotisch wereldje van plezier, verwondering en ontroering. Aandoenlijk en hilarisch. Ambachtelijk en amateuristisch. Intens vrolijk en tot tranen toe roerend tegelijk.
Dresden is een clown!
6 augustus 2003,
Toon Maas
P.S. Om een gewaardeerd collega niet te kort te doen: de clown heet Locci en de vriendelijke man achter de clown is Wolfgang Lasch uit Potsdam (lijkt me trouwens ook een plaats om herinneringen aan te hebben). |