MIJN PLEIN
Het begint altijd met een naam. Soms bekend: Delft, Ameland, Nederweert-Eind.
Soms alleen met vage associaties: Oldenburg, Appeltern, Eke-Nazareth.
En in een enkel geval is vooraf het blad totaal onbeschreven: Waltrop, Rhenen, Wroclaw.
Bij de eerste kennismaking volstaat het nog om de naam te lézen: Wroclaw.
Als je de letters op je laat inwerken, ervaar je de grandeur en ook de afstandelijkheid die past bij een respectabele stad uit het Habsburgse Rijk. Diep in Europa, nostalgisch en voornaam. Zolang je een gepaste afstand bewaart klopt dit beeld ook: de statige stokoude universiteit, barokke kloosters en kerken uit alle tijdperken: veel en vol. Pas als je dichterbij wilt komen, beginnen de problemen: ‘Wààr ga je spelen?’
In de spreektaal moet de (w) een (v) worden, soms zelfs verkleed als (f). De (c) blijkt in het dagelijks leven een (tsj), en de (l) – hoewel in het Pools voorzien van schuine vleugeltje (?) zodat leo op teo gaat lijken – beperkt zich tot een lichte tongbeweging tegen het gehemelte. Er komt dan een soort VRÒTSJAF tevoorschijn.
Weg statigheid!
Zeker als je het op de juiste wijze uitspreekt. Een beetje knorrig en vòòr in de mond. Want, als het Nederlands volgens sommige buitenlanders lijkt op een keelaandoening, dan is het Pools een bezigheid van het gehemelte. De naam van de stad klinkt dan als een haperende kickstarter of als een verwensing: vròtsjaf……vròtsjaf……..vròtsjaf, nogantoe!
Niet dat die norse klank ongepast is: overal kapotte stoepen en trottoirs en troosteloze woonkazernes met rondom grauwe modderige ongelijke stukken land met her en der auto’s. Het weinige dorre gras lijkt alleen van nut om de schapenpaadjes te markeren, die de mensen tussen de woonblokken voor zichzelf hebben gemaakt om hùn weg te vinden. De enige ‘sierbestrating’ wordt gevormd door de duizenden kroonkurken in de zanderige stadsparken.
Je weet dat je, juist als aangeharkte Hollander, door al deze weerbarstige schillen heen moet, om – ineens weer opvallend soepel –, te komen op een van de prachtigste pleinen, waar ik ooit gestaan heb: de Rynek (rienèk), waar ieder jaar gedurende drie dagen een straattheaterfestival wordt gehouden. En daar mag je dan als Hollander in een groot internationaal veld spelen. En dan ontvouwt zich toch weer dat wondertje. Voor een publiek dat talrijk is, gretig en ontvankelijk. En met collega’s uit alle windstreken. Een erg franse Fransman met een prachtig silhouettheatertje. Een contemplatieve huzaar van de Krim met een enorme druipsnor, die dagenlang in klederdracht meditatief op een citer speelt en de muziekgroepen uit de Oekraïne, met wie je na een paar dagen een verwantschap voelt, misschien wel juìst omdat je alleen kan communiceren met handen, voeten en vriendelijkheid.
Iedere theateropleiding leert dat het podium waarop je staat, op het moment dat je speelt, jouw plek moet zijn. Je moet het je toe-eigenen.
Raymond Poulidor heeft het in zijn wielercarrière respectievelijk opgenomen tegen Jacques Anquetil en Eddy Merkx. Naderhand verklaarde hij dat zij met zijn drieën 10 keer de Tour de France hebben gewonnen (te weten: Anquetil 5 keer en Merkx 5 keer).
Analoog aan deze anekdote kan ik, zonder valse bescheidenheid, zeggen:
De Rynek in Wroclaw?
Dat is mijn plein!
Someren, 19 juli 2002,
Toon Maas |