MET NIKS BEGONNEN
Je krijgt wel eens een nat pak. Maar verder heeft spelen op straat alleen maar voordelen. Na een winterseizoen in het theater – met zijn afstandelijke deftigheid – is het een verademing om te ervaren dat de straat nog steeds van iedereen is. Weg met de conventies van ‘ik heb betaald om in het donker te mogen kijken naar jou, op het podium en in het licht’. Nee, nu zijn we weer op straat. ‘Dus als het me niet bevalt loop ik weg en je krijgt meteen te horen wat ik er van vind’.
Niet dat die reacties altijd zo origineel zijn natuurlijk, we blijven mensen. En het is ook aan mode onderhevig. Onder invloed van de gelijknamige zomerhit werd ik een paar jaar terug gedurende enkele maanden er steevast op attent gemaakt dat het busje zò komt. En recenter –vanwege een bekroond reclamefilmpje en mijn wijkende boventanden – wordt mij de vraag gesteld of ik uit Dommelen kom. Maar iedere reactie beschouw ik als een bevestiging van het directe contact dat straattheater oplevert. En het zegt altijd iets over de persoon die de opmerking maakt.
De Altstadt van Innsbruck is zonovergoten als ik in het kader van het Festival der Träume onder de beroemde ‘Goldenen Dachl’ mag spelen. Dat ik dit mag meemaken trouwens: Herman van Veen was hier al en Jango Edwards. En nu zit ik in hetzelfde hotel als de wereldberoemde circusclown Galetti, die hier ook speelt.
Er zijn veel mensen uit alle windstreken. Busgewijs zie ik alle clichés bevestigd. Arrogante Amerikanen, keurige Canadezen, angstige Japanners – ik zou graag willen blijven kijken, heel graag zelfs, maar u begrijpt ik moet bij de groep blijven – en niet te vergeten luidruchtige Helmonders. Het is als een weldadig warm bad om je verrichtingen zo ver van huis becommentarieerd te horen in een vertrouwd dialect. Vooral als mensen op leeftijd zoveel plezier hebben en zichzelf daarin verliezen. Als ik inpak en hen voorbijloop overspeel ik bijna mijn hand. De opperhelmonder doet pogingen om ook qua taal over de grens te komen. Hij anticipeert blijkbaar aan mijn vermeende afkomst door hakkelend met Helmondse handen en voeten: ‘…..You….Finish…?’, uit te brengen. Als ik naar eer en geweten zeg dat hij gerust Helmonds kan praten, moet hij bijna bijgebracht worden. En de rest van de groep ook vanwege het gezichtsverlies van hun, waarschijnlijk ook nog democratisch gekozen, dictator. Even later loopt de groep langs mijn bus – waarop te lezen is dat ik uit Someren kom –. Het blijkt dat de hanige Helmonder zijn gezag weer hersteld heeft en door zijn vraag wordt meteen duidelijk dat de magie verbroken is: ‘Is tè Zummere-Eind of Zummere-Hei?’
Als je speelt kun je jezelf nooit verloochenen zonder dat het publiek het merkt. Dat is een van de ijzeren theaterwetten. Maar doordat je op straat iedereen recht in de ogen kijkt kan het publiek zich ook niet verstoppen. Als je geen appèl doet op het verstand, maar op iets anders dat nauwelijks in banen te leiden is, moet je publiek natuurlijk wel mee willen op dat glibberige pad. Aan mij de dankbare taak om de juiste frequentie bij het publiek op te zoeken. Bij kinderen is die snel – soms te snel – gevonden, en ik kom er door de jaren steeds meer achter dat ook oudere mensen bereid zijn om zich open te stellen voor iets nieuws. Nee, de risicogroep zit daartussen. De jonge vader met kinderen staat in eerste instantie met tegenzin in het publiek. Als ik er in slaag om stukje bij beetje zijn verdedigingswal te slopen zie je zijn blik ‘open gaan’ tijdens het toeschouwen. Even later is alles wat ik speel in de veranderingen van zijn oogopslag te ‘lezen’. Na de voorstelling zie je dan weer een meer dan kordate kostwinner, die met een overdreven basstem nog net kwijt wil: ‘Ja, die kinderen vinden dat prachtig hè. En ik moet zeggen. Er zaten leuke stukjes bij. Je weet het heel aardig te brengen’.
Weg zeepbel!
Het kan ook andersom.
De voorstelling is al lang afgelopen als ik met de plaatselijke Dottore, die alles organiseert, dus ook mijn voorstelling, door het Portugese bergdorp loop op weg naar een gezamenlijke overdadige boerenmaaltijd. Ik heb gespeeld op het plein en het hele dorp heeft het gezien. Tegen een typische portugesebergdorpgevel staan 5 vrouwtjes. Niet om minderwaardig te doen, maar ze zijn nou eenmaal niet langer. Een van de vrouwen roept iets in een voor mij onbekende portugesebergdorptaal en de andere dames bevestigen haar heftig. Dat kan ik uit hun lichaamstaal wel opmaken. Terwijl we verder lopen zegt de Dottore mij in het Engels dat de vrouwen mijn voorstelling prachtig vonden. Bij gebrek aan ander instrumentarium draai ik mij zonder na te denken om en maak midden op straat voor de dames een diepe buiging. Als op commando buigen alle 5 vrouwen even diep terug waarna een lacherig, en daarom wellicht ook onbeschrijflijk, gevoel van verbondenheid ontstaat.
Theater moet vragen oproepen zegt de theorie, maar moeten die vragen ook altijd gesteld worden? Veelal wordt de reiziger naar de bekende weg gevraagd of je wordt in verlegenheid gebracht omdat je geen antwoord hebt. Ondanks dàt zijn er ook momenten waarop je de vraag niet had willen missen.
De jongen is een jaar of tien en bloedserieus. Het festival is diep in Duitsland en meerdaags. Gisteren heeft de jongen ook al uren achter mij aan gelopen. Een lachje kan er niet af, maar hij wijkt niet van mijn zijde. Met de armen over elkaar en een peinzende blik alsof hij op het punt staat een nieuwe theorie te ontdekken observeert hij wat ik doe. Zijn pose doet mij denken aan mijn eigen jeugdfoto: een veel te serieus, eigenwijs menneke. En ook even keurig opgevoed. Als ik aan het inpakken ben vraagt hij of hij iets mag vragen. Hij worstelt met de enige vraag die er echt toe doet, ook al krijg je waarschijnlijk nooit antwoord:
‘Warum machen Sie dass?’
Heel zelden is de vraag van zo’n grote schoonheid, dat je bang bent met een antwoord alles te verpesten. Want de echte vragen hebben geen antwoord meer nodig.
De bejaarde man zit op zijn bankje en bekijkt rustig – beter nog: doodgemoedereerd -, maar toch ook als een kip naar het onweer, mijn onzinnig geworstel. Nadat we elkaar, langer dan gewoon, over en weer open hebben aangekeken, bezegelt hij onze verbondenheid:
‘Ook met niks begonnen, zeker?’
Someren, 27 maart 2001 |