HET GEHEIM VAN DE SIËRRA

Het weerzien is als met oude vrienden. Of misschien als met een oude liefde. Iets stroever ook, dit keer. Waarschijnlijk omdat het onafgebroken regent. Maar dat komt in de beste siërra’s voor. Ook de kou zorgt er voor dat, meer dan anders, een appèl wordt gedaan op de warme herinneringen uit het verleden. Maar eigenlijk weet je, dat het eind april nog behoorlijk kan spoken in de bergen, ook al ben je diep in Andalusië, bekend vanwege de hitte en de droogte.
De natuur ken je nu zelfs bijna niet terug, als je gewend bent om hier inde zomer of in het najaar te zijn, als gras en bloemen met hun dorheid en door hun vaalbruine kleur een dodelijke vermoeidheid uitstralen. Nu springt het groen uit de grond en als je twee dagen niet in een dal bent geweest, lijkt het of een onzichtbare en razendsnel werkende plantsoenendienst een totaal andere aanplant van bloemen in de meest uiteenlopende kleuren heeft verzorgd.

Maar de grootste verandering wordt gevormd door de schapen of beter nog, de herder. Door de jaren ben je vertrouwd geworden met het beeld van schapen en hun ‘pastores’. Niet van die folkloreherders, zoals je die in Italië of Portugal wel ziet. Met van die identiek grofgeweven dekens, in een verplichte drapering over de schouder hangend, en met een eikenhouten herdersstaf. Mooi om te zien, maar toch meer gericht op het hoeden van toeristen.
Nee, de herders hier weerspiegelen veel meer de rauwheid en weerbarstigheid van het onmetelijk gebergte: ze dragen een wielrenpetje of een verfomfaaid colbert. Een overall desnoods, precies zoals het uitkomt. Ze gooien met stenen naar schapen en geiten die dreigen af te dwalen en uiten daarbij rauwe kreten, die meer doen denken aan Middeleeuws volkstoneel dan aan hedendaagse bedrijfsvoering.
Bekend is ook dat de herders in de winter hun schapen weiden op de laagvlaktes van Andalusië en pas eind mei ‘naar boven komen’.

Je bent dan ook verrast als je steeds die enorme kudde schapen ziet met daartussen dat ene zwarte geitje. En wie is toch die mooie donkere jongen – nou ja, 35 misschien – in dat keurig gestreken overhemd, die urenlang in die piepkleine groene Landrover zit?
‘Iemand die onderzoek doet? Een detective? Maar waarom staat dat wagentje steeds in de buurt van die grote kudde?’
Na dagen kom je erachter: hij is de herder.
Hij zit in zijn jeep als in een filmscène: James Dean in een roadmovie, of beter nog, een jonge Anthony Quinn in een – toen exotische – want mediterrane film: raam open, tandenstoker tussen de lippen: ‘olaah!’
‘Ja, ook ola’. Had hij nou zijn autoradio aan? Misschien ook nog wel zo’n nieuwerwetse, die uit het niets tevoorschijn komt als je de contactsleutel omdraait.

Naast hem op de voorbank zit een hondje. Uit een andere film:
Peter Sellers komt in zijn onnavolgbare creatie van inspector Clouseau binnen in een klein hotel: smalle balie; barkruk met daarop een lief wollig hondje; oudere man achter de balie, verdiept in de krant. Clouseau vraagt, naar de hond kijkend, in zijn Francofiele Engels: ‘Dus yoer doog bite?’ Zonder op te kijken van zijn krant schudt de man ontkennend met zijn hoofd. Als de inspecteur daarop de hond wil aaien, wordt zijn vinger er zowat afgebeten. Op de verwijtende blik naar de hotelhouder antwoordt deze: ‘This isn’t my dog’.
Zo’n hondje, dus.

Ondertussen heeft de zomer zich aangekondigd – strakblauwe lucht, stralende zon – en de herder stapt uit. Nadat hij de achterdeurtjes van zijn jeep heeft opengezet, klapt hij in zijn handen, zoals mijn moeder vroeger deed als wij buiten speelden en het was etenstijd. En het werkt nog steeds: doodgemoedereerd huppelen 386 schapen en een zwart geitje op de openstaande deurtjes toe. Geen gemekker. Het geluid van de tientallen bellen sterft weg en in een oogwenk is de hele kudde uit beeld verdwenen. De herder sluit geroutineerd de achterdeurtjes van de jeep, stapt in, en ingetogen groetend rijdt hij weg.

En weer gaat in de siërra een dag ten einde. Een dag als alle anderen.


Spanje, Sierra de las Villas , 21 mei 2004,
Toon Maas

Skip Navigation Links