BLOEM

Het bergdorpje in Portugal lijkt even sloom als andere dinsdagen. Totdat het donker is. Dan hoor je op deze speciale dinsdag in februari vreemde menselijke stemmen in het avondlijke duister.
Als ze binnenkomen valt het kwartje: natuurlijk! Carnaval. En wel zo natuurlijk dat dit voor West-Europese ogen een behoorlijke cultuurschok oplevert. Om te beginnen zien we geen gezichten. Ja, maskers zult U denken, mombakkesen. Nou de gezichten waren wel bedekt. Met verschillende soorten textiel. Kousen, sokken en sjaals zorgen ervoor dat de feestvierders lugubere gezichtsloze figuren worden. De kleding bestaat uit overalls met petten of sjaals rond het hoofd. Voorzover ze niet als dames verkleed gaan, tenminste. Dan zie je zowel opzichtige jurken alsook degelijke jasschorten. Onder hun kleding zijn de ‘dames’, met weinig gevoel voor nuance, allemaal even voluptueus vormgegeven. Bijna alle carnavalsvierders dragen sokken over de handen. Ik moet denken aan het verhaal van mijn opa, die vertelde dat, toen hij carnaval vierde, de mensen zich zo verkleedden dat ze onherkenbaar waren. Dat moet hetzelfde geweest zijn als hier.
Ik heb niet meteen een helder inzicht in oorzaak en gevolg, maar door de maskers, en misschien ook wel door de sokken, wordt er niet gedronken. En behalve het geschuifel over de vloer maken de figuren ook geen enkel geluid. Zeker ook om zich niet te verraden. Iedereen kent elkaar hier natuurlijk. Er wordt gedanst. Vooral door de ‘dames’, die zich met een weinige subtiele lichaamstaal aanbieden aan de mannen in het publiek. De non-verbale taalbarrière is hoog genoeg om vluchtgedrag uit te sluiten: ook ik moet er ook aan geloven. De kracht waarmee ik heen en weer gezwierd wordt, bevestigt het idee dat een man hier in travestie wellicht de avond van het jaar beleeft. Dit in tegenstelling tot mij.
En het ‘mysterieuze’ werkt door. Als je de volgende dag, zoals steeds, de buurman groet, denk je toch even…… Door de stil en langzaam, maar geprononceerd bewegende, gezichtsloze figuren doet het fascinerend tafereel denken aan Ensor, hoewel daar de maskers de hoofdrol vervullen. Ik kom tot de slotsom dat er helemaal geen vrouwen verkleed zijn. De wetenschap dat het een tiental vierkantige herders is dat hier sensueel en stom beweegt, maakt de voorstelling nog bizarder.

De enige vrouw die wel verkleed is hoor ik voordat ik haar zie. Een ijselijke schreeuw dringt door de cafédeur naar binnen en als de deur openzwaait, verschijnt er weer zo’n partij mummies in overall, dit keer met een klein lijkkistje op de schouders. Achter het kistje loopt de vrouw. Deze formulering moet over!
-In de eerste plaats wordt de vrouwspersoon gespeeld door een mooi meisje van een jaar of zeventien, - haar gezicht is wel zichtbaar - , geheel in het zwart en met een doek om het hoofd.
-Haar manier van bewegen kun je eigenlijk ook geen lopen noemen, omdat haar impressie van rouw iets weg heeft van een imitatie van Arabische vrouwen, die je wel op teevee ziet na weer een grote ramp, ergens in het Oosten. Ze schreeuwt moord en brand en valt om de haverklap in onmacht. Moet dan weer bij haar ‘positieven’ gebracht worden door de kraaien rondom het kistje om even verder weer van haar stokje te gaan. Doordat het kistje geen deksel heeft, is te zien dat er een pop ingelegd is. De omstanders werpen om beurten rode rozen naar het kistje, terwijl het meisje zonder veel timing blijft schreeuwen als een speenvarken. De vele omstanders die mee naar binnen gekomen zijn - evenals wij niet verkleed - lachen uitbundig om het tafereel, terwijl ze kwistig met een wit goedje strooien dat magischer lijkt dan het is. Als de taalgrens is overschreden blijkt het zich te handelen om bloem, niks meer of minder dan bloem.

Misschien speelt het lichte schokeffekt een rol, maar de impact van deze voorstelling gaat voor mij veel verder dan alle vieringen met raden van elf, carnavalskrakers, boerenkapellen die ik tot nu toe heb meegemaakt. De satanische optocht vertrekt vrij snel weer - een rondje bestellen is immers niet nodig - en laat het cafeetje over aan een paar Hollanders en ‘ de stommen van Portugal’.
De volgende dag zie je overal in het dorp witte ‘bloemvlekken’ als enige restant van wat achteraf een ervaring uit een droom lijkt. Maar dat heb ik na carnaval wel eens vaker gehad!

Tijdens een tentoonstelling in het prachtige carnavals- en maskermuseum van Binche (B) zag ik fantastische maskers en kleding uit Polen, Oostenrijk, Italië e.d.
Allemaal bergstreken!
In Trentino (I) is prins carnaval zelfs een bizar uitgedoste reiziger die de bewoners komt waarschuwen dat de lente onderweg is.
Uiteraard moest ik terugdenken aan mijn carnaval in Portugal.

Zou de afzondering in de bergen ervoor zorgen, dat mensen zo weinig invloeden van buiten krijgen, dat ze aan eeuwenoude riten blijven hechten.
Of zou het mysterie van de bergen ervoor zorgen dat mensen meer openstaan voor het bovennatuurlijke.
En was dat in de Peel ook niet ooit zo?
En kan dat niet - gesubsidieerd door Staatsbosbeheer - terug ingevoerd worden?
Dat kan blijkbaar ook met het uitgestorven kempisch heideschaap. Nou dan!
De bloem heb ik al.

Someren, 7 december 1998,
Toon Maas

Skip Navigation Links